Nobele voornemens
 
Ieder jaar weer ben ik altijd van plan
nou beslist met m’n geld rond te komen.
’t Volgend jaar koop ik geen speld! zeg ik dan
en ik laat mijn oude japon maar weer stomen.
Kasboek bijhouden en soberder leven,
niet meer zoveel aan de slager uitgeven,
zuiniger koken en touwtjes bewaren,
niet zo hard stoken en zegeltjes sparen.
 
Maar op de tweede
en de derde
en de vierde januari
dan zit ik altijd financieel
alweer totaal in de penarie.
De tiende ga ik winkelen in de stad en op de elfde
dan is het allemaal weer helemaal het zelfde.
 
Telkens opnieuw aan het eind van december
neem me ik me voor om broodmager te worden.
Dank u, geen suiker, geen borstplaat, geen gember,
nee, rauwe peentjes met borden en borden.
‘k Ga gymnastiek doen, hup ene, twee drieë,
hup voor en hup achter, hup twee door de knieën.
IJskoude douches, dat neem ik me voor
en nou geen smoesjes! Nou zet ik door!
 
Maar op de tweede
en de derde
en de vierde januari
dan voel ik weer: ik kan niet meer.
Het is toch eigenlijk zo’n larie.
de tiende neem ik suiker in de thee en op de elfde
dan is het allemaal weer hetzelfde.
 
Altijd opnieuw aan het eind van het jaar
neem ik me voor om een engel te worden.
Altijd opnieuw aan het eind van het jaar
leg ik m’n eigen moreel weer op orde.
Nooit meer humeurig zijn, niemand meer krenken,
altijd en aldoor aan anderen denken.
Voortaan heel fijntjes en mild en oprecht…
een nou geen geintjes! Nou doe ik het echt!
 
Maar op de tweede
en de derde
en de vierde januari
dan denk ik weer: het gaat niet meer.
Het is toch eigenlijk maar larie.
De tiende geef ik iedereen een snauw en op de elfde
dan is het allemaal weer helemaal hetzelfde.
 
Annie M.G. Schmidt
uit: Cabaretliedjes, 1961

Advertenties